Cannabidiol
vermindert de ontwikkeling van diabetes in
dierenstudie
Onderzoekers
van de Hadassah Universiteit van Jeruzalem bestudeerden de werking van de
cannabinoïde cannabidiol (CBD) op de ontwikkeling van diabetes bij muizen die
de ziekte ontwikkelden door genetische oorzaken. De zogenaamde NOD-muizen ontwikkelen insulitis
binnen een leeftijd van 4 tot 5 weken, gevolgd door diabetes binnen gemiddeld
14 weken. Insulitis is een ontsteking van de cellen
die insuline produceren in de pancreas en diabetes is een gevolg van de
vernietiging van die cellen.
NOD-muizen van 6 tot
12 weken oud werden behandeld met 10 tot 20 CBD-injecties
(5 mg per kilogram lichaamsgewicht) en dat leidde tot een belangrijke reductie
van het aantal diabetesgevallen tot 30 procent in vergelijking met 86 procent
bij de controlegroep die geen behandeling gekregen had. Daarbij komt nog dat
bij de behandelde muizen die toch diabetes ontwikkelden, de ziekte veel later
begon. De bloedspiegel van twee cytokines die de
ontsteking bevorderen, IFN-gamma en TFN-gamma, is meestal verhoogd in NOD-muizen.
Een behandeling met CBD veroorzaakte een in belangrijke mate verminderd peil
van beide cytokines (meer dan 70 procent). In een
ander experiment werden met CBD behandelde muizen gedurende 26 weken
geobserveerd. Terwijl de 5 controledieren allemaal diabetes ontwikkelden,
bleven 3 van de 5 met CBD behandelde muizen vrij van diabetes na 26 weken.
De onderzoekers concludeerden dat de bevestiging van de waargenomen immunomodulaire werking van CBD "kan leiden tot de klinische toepassing van de stof in de preventie van diabetes type 1" en mogelijk ook bij andere auto-immune aandoeningen. Zij merken op dat veel patiënten, bij wie diabetes type 1 is vastgesteld, op het ogenblik van de diagnose nog voldoende cellen hebben die insuline produceren. Zij komen mogelijk in aanmerking voor een immunomodulatie therapie.
(Bron: Weiss L, Zeira M, Reich S, Har-Noy M, Mechoulam R, Slavin S,
Gallily R. Cannabidiol lowers incidence of diabetes
in non-obese diabetic mice. Autoimmunity 2006;39(2):143-51)