Cannabis: kweken
mag, oogsten niet
Uit De Juristenkrant Nr. 54 - 25 september 2002
De wet van 24 februari 1921 op de verdovende
middelen is toch wel een merkwaardige strafwet. De wet omschrijft geen enkele
handeling omtrent verdovende middelen die strafbaar is. Ze biedt in artikel 1
enkel de mogelijkheid aan de 'regering' om een aantal aspecten te 'regelen en
daarover toezicht te houden'. Het is aan de regering om uitvoeringsbesluiten te
maken op grond van dit artikel. En de inbreuken op deze besluiten worden
gesanctioneerd, onder meer door de artikelen 2 en 2 bis van de wet van 24
februari 1921. De consequentie van deze regeling is op een correcte wijze
geļllustreerd in een recent arrest van het hof van beroep te Antwerpen.
Een Limburger met groene vingers
werd vervolgd wegens het kweken van hennepplanten en de verkoop van de oogst
ervan, met name cannabis. In eerste aanleg werd de beklaagde voor de beide
feiten veroordeeld. Maar het hof van beroep wees de dubbele veroordeling van de
hand op grond van een glasheldere redenering.
Het hof
stelt vast dat de regering geen gebruik gemaakt heeft van de mogelijkheid om
het verbouwen van planten, waaruit verdovende middelen zoals cannabis kunnen
worden getrokken, te regelen in een uitvoeringsbesluit. Art. 2 bis van de wet
van 1924 bestraft evenwel enkel de overtredingen van de bepalingen van de
koninklijke besluiten, uitgevaardigd op grond van deze wet. Welnu, bij gebreke
aan uitvoeringsbesluiten omtrent het verbouwen van dergelijke planten, valt het
kweken ervan niet onder de strafwet.
Wie louter
dergelijke planten kweekt is dus tot op heden niet strafbaar. Maar hier geldt
wel de leuze: "Wie zaait, mag niet oogsten." Want wie, na veel
minutieuze zorgen en een hallucinante groei, zijn hennepplantjes wil oogsten,
loopt tegen de lamp. Eenmaal de oogst is binnengehaald, is men strafbaar wegens
bezit van cannabis, wat wel verboden is op grond van art. I.15 van het
koninklijk besluit van 31 december 1930.
(Luc Arnou
- Antwerpen 31 mei 2002; zie ook NJW 2002, nr. 2, p.62)