Het woord olievelden krijgt een nieuwe betekenis

 

 

Tekst ©JosNijsten2001-2009

 

Toen de Duitse uitvinder Rudolf Diesel in 1894 het prototype van zijn motor ontwikkelde, was die eerst niet bestemd om op petroleum te draaien, maar op pindanotenolie. De man dacht toen dat het gebruik van petroleum snel zou teruggedrongen worden door plantaardige olie maar het petroleummonopolie slokte de dieselmotor mee op. Henry Ford deed het een veertigtal jaren later nog eens over met zijn T-Model.

 

Hij gebruikte geen pindanotenolie maar hennepzaadolie. Het koetswerk van de wagen was opgebouwd uit elementen in hennepplastic. Maar ook Ford eindigde in de fossiele brandstoffen. Dat is een tijdje goed gegaan en de overvloed kon niet op. Nu blijkt dat die wél op kan, wordt ijverig gezocht naar alternatieven. En aan nieuwe voorstellen is er geen gebrek want groene woorden doen het goed in de politiek. Tot in de hoogste regionen is de wil aanwezig om uit de blinken in milieuvriendelijkheid. Als er camera's in de buurt zijn tenminste. Maar hoe zit dat nu met dat biodieselverhaal? Is dat het alternatief?

 

Er zijn behalve olie natuurlijk nog andere brandstoffen te onttrekken aan planten. Ethanol bijvoorbeeld, gewonnen uit suikerbieten of biogas uit een gevorderde gisting van organisch afval. We beperken ons hier evenwel tot de plantaardige olie. Zoals hierboven aangegeven is het idee niet zo nieuw als men wil laten uitschijnen. Wat nieuw is aan het biodieselidee is de mogelijkheid om planten genetisch te manipuleren, de gewijzigde planten te brevetteren, de bijbehorende zaadhandel te monopoliseren om op die manier zichzelf ongestraft het eigendomsrecht toe te kennen over de 'nieuwe' energiebronnen uit planten die in de natuur voor iedereen vrij beschikbaar zouden moeten zijn.

 

Voedsel, brandstof voor het lichaam

 

Gebruikte frituurolie is voor de voedingsindustrie een afvalproduct, voor wie brandstof op kleine schaal nodig heeft is het een goedkope grondstof die op een eenvoudige manier als energiebron kan gerecycleerd worden. Daar is de cirkel rond.

 

Als echter voedingsgewassen ingezet worden voor de energievoorziening dan is de cirkel doorbroken. Een filter en een kleine aanpassing aan de brandstoftoevoer volstaan om verder te rijden op zonnebloem-, koolzaad-, maïs-, arachide-, soja-, palm- of … hennepolie! Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat de industrie de grote middelen bovenhaalt om de oliehoudende zaden onder monopolie te krijgen of, in het geval van de hennepolie, teeltverbod te laten opleggen.

 

Tekstvak: (*)"De voedseloverschotten van de VS geven de feitelijke macht over leven en dood van massa's hongerigen." (CIA rapport). Deze stelling werd onderschreven door de Amerikaanse minister van landbouw die opmerkte: "Voedsel is een wapen. Het is één van de belangrijkste troeven in ons onderhandelingspakket". (Jan Tinbergen 1977 – Naar een rechtvaardige internationale orde). 
Uit USA Public Law nr. 480 noteren we: "Kernbommen zijn er om te dreigen. Het voedselwapen wordt dagelijks gebruikt om te dwingen."
Energie is macht … én voedsel is macht.

Honger is hét ultieme wapen(*).

 

De oliehoudende zaden bevatten zowel propere energie als hoogwaardige voedingsstoffen. Het belangrijkste middel om de alleenheerschappij over planten te verwerven is de genetische verminking. Levende organismen brevetteren is sinds een "administratieve vergissing" van eind vorige eeuw geen hindernis meer en een Europese vergunning voor een teelt die afhankelijkheid creëert is ook geen obstakel.

 

 

De groene leugen

 

Europa heeft zijn gretige tanden gezet in Indonesië. Regenwoud met een oppervlakte ter grootte van Frankrijk werd al gerooid voor monoculturen van palmbomen, bestemd om olie te leveren voor de aanmaak van 'biodiesel' voor de Europese markt. Voor we ons laten 'inpalmen' door de peptalk van politici en ondernemers over de redding van de planeet, is een klein overzicht van de oorsprong van onze 'biodiesel' geen overbodige luxe.

 

"Biodiesel zal de uitstoot van CO2 terugdringen" … dat is de theorie. In de praktijk ziet het er echter niet zo rooskleurig uit. Om te beginnen wordt regenwoud platgelegd om de palmbomen te planten. Een natuurlijke machine om CO2 uit de atmosfeer op te nemen, gaat daarmee verloren. Eén-nul. Het platleggen gebeurt met reusachtige energieverslindende CO2 uitstotende dieselmachines (massavernietigingswapens). Twee-nul. De kapresten en de kaalgeplukte oppervlaktes worden afgebrand ter voorbereiding van de palmteelt. Drie-nul. De palmbomen zijn klonen die industrieel gekweekt worden. Vier-nul. De grond krijgt meststoffen, pesticiden, herbiciden, goed voor extra CO2 uitstoot. Vijf-nul. De palmnoten worden met vrachtwagens vervoerd naar de persinstallaties. Zes-nul. Het persen gebeurt grotendeels met machines die op dieselmotoren werken. Zeven-nul. De geperste olie wordt vervoerd in tankwagens naar de raffinaderijen van Sinarmas, de monopoliehouder op de palmoliewinning op Sumatra. Acht-nul. De geraffineerde olie wordt vanuit Indonesië naar Europa getransporteerd. Negen-nul. Binnen de Europese grenzen wordt de palmolie vermengd met dieselolie en verder naar de verbruiker getransporteerd met tankwagens. Tien-nul.

 

Waar monoculturen verschijnen verdwijnt het grondwater. De palmoliewinning bedreigt de watervoorziening – en daarbij de teelt van de basisvoeding – van miljoenen mensen. Om toch een ecolabel toe te kennen aan de palmolie werd de naam 'biodiesel' gewijzigd in 'agrobrandstof'.

Een andere reden om op zoek te gaan naar alternatieven voor palmolie is het corruptiegehalte van Indonesië.

 

Biodiesel kan enkel milieuvriendelijk zijn als de planten waaruit de olie gewonnen wordt, groeien waar ze verwerkt en gebruikt worden. Dat is noodzakelijk om een onafhankelijk energiebeleid te kunnen voeren omdat het oude chantagemiddel niet vervangen moet worden door een nieuw chantagemiddel. En die chantage is al begonnen. In de groene literatuur waarin 'ecologische' argumenten voor alles en nog wat voorgesteld en besproken worden, zwijgt men in alle talen over hennepolie als biodiesel. Nochtans groeit dat overal, zonder ecologische rampen te veroorzaken, zonder het transport doorheen zones die voortdurend in de greep van de oorlogsindustrie gehouden worden. Er is echt geen reden om in Indonesië of in Maleisië de regenwouden, die CO2 omzetten in zuurstof, te gaan kappen om 'biodiesel' te maken. Dat is geen biodiesel, dat is pure oplichterij.

 

De hennepauto

 

Het is niet omdat eco-organisaties als Greenpeace het bestaan van hennep negeren, dat hennep niet bestaat. Het bestaat wel degelijk als brandstof, pure veresterde hennepolie. De uitlaatgassen ruiken dan ook naar aangebrande olie. De Hempcar trok van stad tot stad de VS door (zie route). Grayson Sigler en zijn vrouw Kellie trokken samen met hun vrienden Scott Fur en Charles Ruchalski het land door met een wagen waarvan de motor met hennepolie aangedreven wordt. Hun doel was het gebruik van de olie als alternatieve brandstof te promoten.

 

Er is niks speciaals aan de 18 jaar oude Mercedes stationwagen. Het is een gewone auto, volgeplakt met stickers van sponsors, het woord "Hemp" (hennep) en afbeeldingen van het cannabisblad. De biodiesel uit hennepolie is een fijne lichtgroene veresterde olie. De wagen reed onder meer door Minneapolis, Seattle, Los Angeles, Austin en Charlotte.

 

Volgens Dave West, hoofd van het wetenschappelijk team dat het Hawaii Industrial Hemp Research project uitvoert, staat industriële hennep tot marihuana, zoals de zetmeelrijke veldmaïs staat tot de zoete maïs. De DEA (Drug Enforcement Administration) heeft daar een andere mening over. "Hennep is marihuana", zegt woordvoerster Rogene Waite. Maar ja, het woord van de DEA is enkelrichtingsverkeer zoals dat in alle dictatoriale repressieve organisaties het geval is. Wetenschap bestaat voor dat soort mensen enkel om onderdrukkingsmiddelen te creëren.

 

De Hempcar vertrok uit Hampton op 4 juli 2001 en legde 18.000 kilometer af. Hun doel van 15.000 km werd dus ruim overschreden. Op 4 oktober bereikten ze hun eindbestemming in Washington. Ze hadden tweemaal mechanische problemen die evenwel niets met de gebruikte brandstof te maken hadden. De wagen consumeerde tijdens de trip 2.750 liter biodiesel, pure hennepolie, niet gemengd met petroleumdiesel. Het grootste deel van de brandstof werd gemaakt door Todd Swearingen wiens bedrijf Appal Energy het project financieel ondersteunde.

 

(Bronnen: Washington Post van 6 oktober 2001 – De Hempcar website – Le mensonge vert, Arte 7 april 2009)